Steunpunt hoeveproducten
Steunpunt Hoeveproducten maakt deel uit van
Ons

Verkoop van hoeveproducten op markten

 

 

Is de landbouwer die zijn producten op de markt verkoopt een handelaar?

De land- of tuinbouwer die de eigen geproduceerde producten op zijn/haar bedrijf aan de eindverbruiker verkoopt is geen handelaar. Zelfs niet indien de eigen producten een primaire verwerking hebben ondergaan (bv. het maken van boter en kaas; het sorteren van fruit, aardappelen). We spreken wel over een handelaar vanaf het ogenblik dat niet eigen opgebrachte producten mede worden verwerkt (bv. chocolade in chocolademousse), niet primaire verwerkingen worden uitgevoerd (bv. slachten en versnijden van slachtvee), de producten buiten het landbouwbedrijf (bv. op de boerenmarkt) of aan een niet-eindverbruiker worden verkocht (bv. aan de detailhandel, aan een restaurateur).

 

 

Ambulante handel en vergunningen

Diegene, die ambulante handel (leurhandel) bedrijft, moet beschikken over een machtiging tot het uitoefenen van een ambulante activiteit (leurkaart).

Ambulante handel behelst iedere verkoop, ieder aanbod en ieder uitstallen met het oogmerk te verkopen t.a.v. de eindverbruiker buiten de hoofdzetel of de vestiging van de verkoper.

Leurhandel kan gebeuren op openbare markten, langs de openbare weg, ten huize van de consument. De verkoop van binnenlandse land- of tuinbouwproducten, bloemen en producten uit de veehouderij, die rechtstreeks door de land- of tuinbouwer op de plaats van de productie worden verkocht, vallen niet onder deze reglementering.

Een producent, die op de boerderij eigen hoeveproducten verkoopt, heeft geen leurkaart nodig.

Indien daarentegen de producten buiten de plaats van productie (bijvoorbeeld; boerenmarkten,…) worden verkocht, moet de verkoper over een leurkaart beschikken. Verkoopt hij/zij de producten, die door derden worden geleverd, heeft hij/zij ook een machtiging voor ambulante handel nodig.



Heb ik recht op VLIF steun voor mijn ambulante handel?

Voor investeringen gericht op het verwerken en commercialiseren van hoeveproducten geldt wat volgt.

Enkel specifieke investeringen gericht op de vervaardiging en de verkoop van hoeveproducten komen in aanmerking voor 28% steun.

Voor gebouwen betreft dit een hoevewinkel, een verbruikslokaal en de opslag- of koelruimte bestemd voor het bewaren van de verkoopsklare voorraad aan hoeveproducten evenals de inrichtingsinvesteringen van gebouwen die door hun aard duidelijk bestemd zijn om de productie en verkoop van hoeveproducten mogelijk te maken (afwasbare wanden, antislipvloeren, noodzakelijke niveauverschillen, aangepaste riolering e.d.). Het gebouw zelf, dikwijls type gesloten loods met laad- en losplaats, voor het klaarmaken (sorteren, wassen, versnijden, bereiden, koken en/of verpakken) van de hoeveproducten wordt gesubsidieerd volgens de gangbare steunintensiteit van 18%. Proportionele opsplitsingen worden niet toegepast.

Voor specifieke vaste uitrusting, machines en materieel voor de productie en de verkoop van hoeveproducten, inbegrepen een koel- en marktwagen, wordt 28% steun verleend.

De investeringen waaronder ook de gebouwen, dienen gedimensioneerd te zijn op basis van de verwerking van de landbouwproducten van het eigen bedrijf.

Semi-industriële productielijnen, ondermeer voor de verwerking van aardappelen, groenten, kruiden e.d. en voertuigen voor het transport van levende dieren komen niet in aanmerking voor 30% steun, temeer omdat de afzet veelal niet via de korte keten verloopt. Voor dergelijke investeringen wordt onder de algemene voorwaarden, o.m. ook het verwerken van producten van het eigen bedrijf, 8 of 18% steun verleend.

Om 28% steun te genieten dienen de investeringen betrekking te hebben op de vervaardiging en verkoop van hoeveproducten via een korte keten, d.w.z.:

 op de hoeve zelf;
 in de onmiddellijke omgeving van de hoeve zoals een buurtwinkel;
 op de lokale boerenmarkt door de producenten zelf;
 via voedselteams, groente-abonnementen of coöperaties van hoeveproducten.

Verkoop aan groot- en/of kleinhandel (behoudens buurtwinkel), horeca … e.a. wordt niet (meer) gerangschikt als rechtstreekse verkoop.

In een normale situatie waar er eenheid is van landbouwactiviteit en rechtstreekse verkoop aan de consument, wordt steun verleend wanneer meer dan de 50 % van de betrokken hoeveproducten van het eigen bedrijf komen. Investering die gericht zijn op de verkoop van zelf aangekochte producten, worden niet gesubsidieerd.

Er wordt aanvaard dat “verwerken en commercialiseren eigen productie” om administratieve of fiscaaltechnische redenen afgesplitst wordt van de landbouwactiviteit. Een juridische afsplitsing (veelal onder vorm van vennootschap) wordt aanvaard onder bijzondere voorwaarden.


Hygiëne-eisen m.b.t. de inrichting van een marktwagen

De ambulante handel van (verse) voedingswaren mag alleen gebeuren door middel van een uitsluitend voor dat doel bestemd voertuig dat daartoe speciaal is ingericht. Dat voertuig moet o.a. volgende kenmerken vertonen:

1. De wanden en het dak moeten stevig zijn, de binnenkant van de vloer, de wanden en het dak moeten vervaardigd zijn uit hard, glad, ondoordringbaar, afwasbaar en niet-toxisch materiaal
2. Voorzieningen voor persoonlijke hygiëne (handen wassen!, warm en koud drinkwater) moeten aanwezig zijn
3. De koudeketen moet kunnen gerespecteerd worden
4. Reiniging en desinfectie van oppervlakken in contact met levensmiddelen moet vlot kunnen gebeuren
5. Opslag afval
6. Kruiscontaminatie moet vermeden worden
7. Onverpakte eetwaren niet binnen bereik van marktgangers en huisdieren